Feit of fictie
Uitzendwerk; springplank ín of uít de WW?
Cijfers over instroom in de WW suggereren dat uitzendkrachten vaker hun baan verliezen dan werknemers met een vast of direct contract. Klopt dit echt?
Bijna 25% van de mensen die een WW-uitkering aanvragen, zijn uitzendkrachten. Terwijl minder dan 10% van alle banen in Nederland uitzendbanen zijn. Dit wijst erop dat uitzendkrachten vaker hun baan verliezen dan werknemers met een vast of direct contract.
Uitzendwerk als springplank uit de WW
Tegelijk is uitzendwerk een belangrijke route voor mensen om vanuit de WW weer aan het werk te gaan. In 2023 vonden 143.190 WW’ers een nieuwe baan (werkhervatters), van wie 29.720 als uitzendkracht aan de slag gingen. Dit betekent dat 21% van alle werkhervatters via uitzendwerk weer werk vond. Bovendien hervindt 94% van de ex-uitzendkrachten binnen een jaar een baan, tegenover 68% van degenen met een vast contract.
Conclusie
Uitzendkrachten hebben inderdaad een grotere kans om in de WW te komen. Dit komt vooral door de aard van tijdelijk werk. Tegelijk blijkt uitzendwerk ook een belangrijke springplank naar nieuwe kansen. Uitzendkrachten vinden sneller weer een baan dan anderen en spelen een belangrijke rol in de doorstroom op de arbeidsmarkt.