Best practice rond arbeidsmigranten in Waalwijk
Samenwerken aan goed werk voor arbeidsmigranten
Hoe zorg je ervoor dat arbeidsmigranten niet alleen wonen of werken in een gemeente, maar er ook goed hun weg vinden? In Waalwijk zoeken gemeente, huisvesters, inleners, uitzendorganisaties en maatschappelijke partners samen het antwoord op die vraag.

Met een gezamenlijke aanpak rondom informatievoorziening, begeleiding en signalering laten zij zien hoe publiek-private samenwerking in de praktijk kan werken. Met een duidelijke rol voor uitzenders als onderdeel van de oplossing. “In Waalwijk werken zo’n 3.000 internationale medewerkers. In piekperiodes loopt dat aantal verder op. Voor een gemeente van ruim 50.000 inwoners is dat een substantiële groep en daarmee ook een duidelijke verantwoordelijkheid,” zegt Glen van den Broek, projectleider internationale medewerkers bij de gemeente Waalwijk. Die verantwoordelijkheid wordt nu gedeeld in het convenant ‘Samen voor internationale medewerkers in Waalwijk’.
Geen abstracte ambities
De basis voor de aanpak in Waalwijk werd anderhalf jaar geleden gelegd. De gemeente wilde verder kijken dan alleen huisvesting en werk. “We vonden dat we breder moesten kijken naar deze groep mensen,” vertelt Van den Broek. “Niet alleen als werknemers, maar ook als inwoners. Tijdelijk of langer.”
De gemeente startte daarom met gesprekken. Veel gesprekken. Met inleners, uitzenders, huisvesters, politie, huisartsen en welzijnsorganisaties. Maar ook met de arbeidsmigranten zelf. Wat gaat goed? Wat kan beter? Waar lopen mensen tegenaan? Die input vormde de basis voor zes thema’s in het convenant: veiligheid en welzijn, dakloosheid, taal en integratie, informatievoorziening, zorg en verzekeringen en registratie. Belangrijk verschil met veel andere initiatieven: Waalwijk bleef niet hangen op abstracte ambities. “We hebben bijvoorbeeld niet alleen gezegd: we vinden taal belangrijk. We hebben ook afgesproken hoeveel mensen taalles krijgen en wie dat organiseert,” aldus Van den Broek.
De kracht van samenwerking
Een belangrijk uitgangspunt in Waalwijk is dat geen enkele partij het alleen kan. De gemeente neemt de regie en organiseert veel van de randvoorwaarden, terwijl werkgevers en uitzenders hun rol pakken in de uitvoering. Ze brengen praktijkkennis in, signaleren knelpunten en vormen de schakel tussen arbeidsmigrant en lokale partners. Die rol is volgens Van den Broek groot: “Werkgevers en inleners staan het dichtst bij de internationale medewerkers. Daarom vragen we ook concreet iets van hen, bijvoorbeeld het vrijroosteren van medewerkers voor taallessen of het regelen van inschrijvingen.”

In Waalwijk zijn vier ABU-leden betrokken bij het convenant: E&A, Covebo, T&S Flexwerk en SBA Flex. Zij vervullen een belangrijke rol als werkgever én als verbindende schakel in de keten. Volgens Gilbert Deelen, directeur van uitzendbureau E&A, sluit het convenant grotendeels aan bij wat veel ABU-leden al doen. “Veel van die thema’s zijn voor ons niet nieuw. Veiligheid, huisvesting, zorgverzekering, informatievoorziening. Daar zijn wij al jaren dagelijks mee bezig,” legt hij uit.
Dat maakt het convenant soms dubbel, maar niet overbodig. De meerwaarde zit volgens Deelen vooral in de samenwerking en de structuur eromheen. “Het zorgt ervoor dat je met elkaar in gesprek blijft en sneller kunt schakelen als er iets speelt.” Een concreet voorbeeld is de inzet van spreekuren op woonlocaties. Waar eerder werd gewacht tot arbeidsmigranten zelf hulp zochten, gaan gemeente en partners nu actief naar hen toe. Dat verlaagt de drempel aanzienlijk. Van den Broek: “Als mensen zelf naar een informatiepunt komen, is er vaak al een probleem. Door naar de locaties te gaan, kunnen we eerder helpen en voorkomen dat situaties escaleren.”
Registratie is essentieel
Juist in die vroegtijdige signalering zit een belangrijke winst. Problemen rond werk, huisvesting of persoonlijke situatie worden sneller zichtbaar. En dus sneller aangepakt. Deelen herkent dat belang. Hij ziet dat goede samenwerking kan voorkomen dat mensen tussen wal en schip vallen, bijvoorbeeld bij het einde van een contract. “Als iemand zijn baan verliest en niets regelt, kan hij uiteindelijk op straat belanden. Door samen op te trekken, kun je eerder ingrijpen.”
Een belangrijk onderdeel van die aanpak is ook registratie in de Basisregistratie Personen (BRP). In de praktijk blijkt dat nog lang niet alle arbeidsmigranten goed ingeschreven staan, terwijl dat juist essentieel is voor toegang tot zorg, voorzieningen en begeleiding. In Waalwijk wordt daar actief op gestuurd. Uitzenders en werkgevers spelen hierin een belangrijke rol door medewerkers te ondersteunen bij inschrijving, terwijl de gemeente het proces zo toegankelijk mogelijk maakt. “Als mensen niet geregistreerd zijn, blijven ze vaak buiten beeld. Juist door daar samen op te sturen, krijgen we beter zicht op wie er is en wat er speelt,” aldus Van den Broek.
Als iemand zijn baan verliest en niets regelt, kan hij uiteindelijk op straat belanden. Door samen op te trekken, kun je eerder ingrijpen.
Landelijk versus regionaal
Hoewel hij het convenant ‘absoluut een goede zaak’ vindt, is E&A-directeur Deelen wel kritisch over het feit dat met elke gemeente weer nieuwe afspraken moeten worden gemaakt. “Wij zijn actief in tientallen gemeenten. Als elke gemeente een eigen convenant met eigen afspraken en kostenstructuur maakt, wordt dat ingewikkeld én kostbaar.” Hij pleit daarom voor landelijke uniformiteit. Niet om lokale initiatieven te beperken, maar om versnippering te voorkomen. “De thema’s zijn overal hetzelfde. Waarom zouden we dat niet landelijk organiseren?” Ook de gemeente ziet dat spanningsveld. Van den Broek erkent dat landelijke kaders kunnen helpen, maar benadrukt tegelijkertijd het belang van lokale invulling. “De kracht zit juist in de concretisering. Landelijk afspraken maken is één ding, maar het echt doen, dat gebeurt lokaal.”
Lessen voor andere regio’s
De aanpak in Waalwijk biedt duidelijke lessen voor andere regio’s. De eerste: begin samen. Betrek uitzenders, inleners en huisvesters vanaf het begin en werk vanuit een gedeelde maatschappelijke opgave, in plaats van losse initiatieven. Ten tweede: maak het vooral concreet. Een convenant opstellen is niet ingewikkeld, maar het verschil zit in de uitvoering. En daar kunnen de meningen over verschillen. Een goed voorbeeld daarvan is taal. Voor de gemeente is taal een belangrijk middel om mensen beter te laten meedoen in de samenleving. Maar in de praktijk van uitzenders ligt dat soms anders, ziet Deelen. “Wij zien al jaren dat de behoefte aan Nederlandse taallessen beperkt is,” zegt hij. “Het grootste deel van de mensen komt hier om te werken voor een bepaalde periode, niet om zich permanent te vestigen.” Volgens hem is Engels in veel sectoren, zoals de logistiek, inmiddels de standaard. “Als mensen zich prima redden in het Engels, voelen ze die noodzaak vaak niet. Dat maakt het organiseren van taallessen in de praktijk lastig. Je hebt volume nodig om een klas te vullen. Die interesse is er vaak gewoon niet in voldoende mate.”
Juist daar zit volgens de gemeente de meerwaarde van de gezamenlijke aanpak. Door vraag te bundelen over meerdere werkgevers heen, ontstaat er wél voldoende schaal om iets te organiseren. “Wij verwachten niet dat iedereen Nederlands gaat leren,” zegt Van den Broek. “Maar er is wel degelijk een groep die daar behoefte aan heeft. Door het samen te organiseren, kunnen we die groep nu wel bereiken.”
Samen bouwen aan een eerlijke arbeidsmarkt
Als mensen niet geregistreerd zijn, blijven ze vaak buiten beeld. Juist door daar samen op te sturen, krijgen we beter zicht op wie er is en wat er speelt.
Waalwijk laat zien hoe publiek-private samenwerking in de praktijk kan zorgen voor oplossingen die partijen afzonderlijk niet van de grond krijgen. Deelen: “Publiek-private samenwerking kan daadwerkelijk verschil maken. Voor ABU-leden betekent dit dat zij hun rol als goed werkgever verder kunnen invullen en zichtbaar maken. En voor gemeenten biedt het een manier om grip te krijgen op een complex vraagstuk.” En voor arbeidsmigranten zelf betekent het vooral één ding: betere informatie, sneller hulp en meer perspectief. Of, zoals Van den Broek het zegt: “We hebben niet de illusie dat alles meteen perfect gaat. Maar het feit dat we dit samen doen, dat is al een grote stap.”