Naar de inhoud
VoorWerk
VoorWerk 8

13 van 15

Hoogleraar Ruben Houweling: “We moeten af van het hokjesdenken in arbeid”

Vanuit de politiek en maatschappij klinkt de roep om een contractneutraalstelsel steeds luider. Toch blijft de arbeidsmarkt hangen in oude scheidslijnen tussen werknemers, flexwerkers en zelfstandigen. Voor hoogleraar Arbeidsrecht Ruben Houweling de reden om samen met collega’s een alternatief te ontwikkelen: het Wetboek van Werk.

Tekst: Albert Reinders · Foto: archief 6 min lezen

Ruben Houweling
Ruben Houweling

“Onze samenleving is fundamenteel veranderd,” zegt Houweling, die als hoogleraar arbeidsrecht is verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en tevens Kroonlid is bij de SER. “We vergrijzen, mantelzorg groeit, werkenden zijn mobieler dan ooit. Tegelijk blijft de arbeidsmarkt draaien op regels van begin 20e eeuw, toen de arbeidsmarkt veel industriëler was.” En de arbeidsrechtelijke wetgeving waar de overheid voor kiest, is niet meer dan pleisters plakken, constateert hij. “We maken vast wat minder vast en flex wat minder flex. Alsof het probleem in de contractvorm zit.”

Deltaplan voor de arbeidsmarkt

“Wat nodig is, is een meerjarig deltaplan voor de arbeidsmarkt,” vervolgt hij. “Daarom heb ik samen met een aantal collega’s het initiatief genomen om het Wetboek van Werk te ontwikkelen. Dat kan het vertrekpunt zijn voor een grootschalige stelselherziening.” Aanleiding om het Wetboek van Werk te gaan ontwerpen was de Wet werk en zekerheid (Wwz) uit 2015. Die wet moest de kloof tussen vast en flex dichten, maar schoot volgens hem fundamenteel tekort. “De Wwz gaf vooral een juridisch antwoord op een sociaal-maatschappelijk probleem,” zegt Houweling. “Het ging uit van het oude denken: je bent óf werknemer, óf zelfstandige. Dat dualisme past niet meer bij de realiteit van nu.”

De ‘werker’ als uitgangspunt

Centraal in het Wetboek van Werk staat de introductie van de ‘werker’: een overkoepelende categorie die het klassieke onderscheid tussen werknemer, flexwerker en zelfstandige overstijgt. “De categorie ‘werker’ doorbreekt het denken in juridische hokjes,” zegt Houweling. “Ze maakt het mogelijk om te denken vanuit participatie, niet vanuit contractvorm.” Dat betekent niet dat iedereen dezelfde rechten krijgt. “Differentiatie blijft nodig. Iemand die incidenteel werkt, heeft minder bescherming nodig dan iemand die al jaren voor één opdrachtgever actief is. Maar we moeten het organiseren van buiten naar binnen en niet andersom. Alleen zo bouw je een stelsel dat lang meegaat.”

Risico’s collectief dekken

Een tweede pijler van het plan is een contractneutrale sociale zekerheid. Volgens Houweling is het huidige stelsel te sterk gekoppeld aan contractvormen, terwijl risico’s universeel zijn. “Arbeidsongeschiktheid is niet contractgebonden. Wij stellen voor om die risico’s collectief te dekken via een generiek vangnet: iedereen draagt bij. Dat vangnet moet gebaseerd zijn op vertrouwen en wederkerigheid. Wie niet meewerkt aan herstel of omscholing, kan worden aangesproken op eigen middelen. Zo blijft het systeem eerlijk en robuust.”

Raad van State kritisch

Maar vooralsnog komt de politiek niet verder dan ‘pleisterwetgeving’, meent Houweling. “Eind vorig jaar bracht de Raad van State een advies uit over de wetsvoorstellen Meer zekerheid flexwerkers en Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Volgens de Raad van State dragen die wetsvoorstellen niet bij aan een fundamentele hervorming van de arbeidsmarkt en schieten ze tekort in het aanpakken van de tweedeling in het beschermingsniveau tussen verschillende categorieën werkenden. Dat de Raad van State tot een dergelijk kritisch advies komt, is opmerkelijk.”

Politieke moed nodig

Een fundamentele hervorming van het arbeidsrecht is volgens Houweling de enige echte oplossing. Maar dat vergt wél politieke moed, benadrukt hij. “Je kunt niet in één keer overstappen van het oude naar het nieuwe. Een transitieperiode met ongemak hoort erbij. Dat zal weerstand oproepen, maar zolang de doelstelling op lange termijn helder is, mag dat geen reden zijn om te blijven hangen in het verleden.” Een gefaseerde aanpak is in zijn ogen dan ook noodzakelijk. “Dit vergt tijd en veranderbereidheid,” zegt hij. “Begin klein: met sociale zekerheid, vangnetten en institutionele samenwerking. Vanuit daar kun je bouwen aan arbeidsrecht en contractpositie. Zo neem je iedereen stap voor stap mee.”

Het Wetboek van Werk is daarmee geen kant-en-klaarpakket, benadrukt hij, maar een richtinggevend kader. “Het laat zien hoe we van symptoombestrijding naar systeemvernieuwing kunnen gaan. We moeten af van het hokjesdenken in arbeid. Wij hopen dat het de katalysator kan zijn voor een toekomstbestendige arbeidsmarkt waarin álle werkenden – vast, flex of zzp – kunnen rekenen op duidelijkheid, bescherming en perspectief.”

Je bent óf werknemer, óf zelfstandige. Dat dualisme past niet meer bij de realiteit van nu.

Ruben Houweling